Vijf vragen aan: Hugo van der Poel, directeur-bestuurder Mulier Instituut – ‘Denk na over een landelijk recreatiebeleid’

http://vijf-vragen-aan-hugovanderpoel-mulier-instituut
12 augustus 2021

Hugo van der Poel is directeur-bestuurder Mulier Instituut. Zijn ambitie is om van het instituut een onmisbare partner te maken voor de ontwikkeling van goed onderbouwd sportbeleid. Dit wil hij bereiken door in te zetten op het verdiepen en versterken van de sportwetenschap, met het oog op de korte en lange termijnvraagstukken die spelen in de sector sport en actieve recreatie. We legden hem vijf vragen over waterrecreatie voor.

1) Wat is je persoonlijke band met waterrecreatie?

“Dat is vooral een ‘potentiële’ band”, gaat Van der Poel van start. “Kanoën, kajakken, roeien, zeilen, snorkelen, ik heb het allemaal wel een keer gedaan. En ik vind het ook allemaal leuk, maar het is nooit een vast onderdeel van het dagelijks leven geworden. Ik heb wel eens gezegd: als ik met pensioen ga, dan ga ik zeilen. Dat heb ik in mijn leven wel vaker gedaan, en iedere keer vind ik dat erg fijn. Ik heb altijd -actief- meegevaren met mensen die goed kunnen zeilen. En iedere keer als ik het deed dacht ik; dit zou ik vaker moeten gaan doen. Maar in een druk leven komt het er dan niet van. Je moet het echt inregelen. En als je aan het water woont, dan stap je misschien ook makkelijker in een boot, dan als je zoals ik in de stad woont.”

2) Wat zie je als belangrijke ontwikkelingen op het gebied van waterrecreatie?

Van der Poel ziet tegenstrijdige en generatiegebonden ontwikkelingen. “Een ietwat vergrijzende activiteit als het gaat om de activiteit die we kennen uit het verleden, zoals het motorbootvaren en het zeilen. Dat zijn volgens mij dingen die de oudere generaties volop hebben gedaan, maar waar de jeugd moeilijk voor te porren is. Jongeren zien misschien wel een aantal nieuwe mogelijkheden, namelijk als het gaat om gezondheid”. Gezondheid ziet hij als een heel belangrijke ontwikkeling. “De belangrijkste motieven voor mensen om te gaan sporten en te bewegen zitten in de gezondheidssfeer. Ze willen afvallen of aan hun conditie werken, en dat zie je ook terug in de sportvoorkeuren. En nieuwe vormen van waterrecreatie komen daaraan tegemoet. Denk aan varianten van surfen, dat zou je een soort buitenfitness kunnen noemen. Dat geldt ook voor suppen; je kunt het alleen doen of in een groepje, op elk moment. Ik vermoed dat je in de wereld van de waterrecreatie op deze manier een soort verschuiving gaat zien van de meer traditionele naar de actievere vormen van waterrecreatie zoals surfen, suppen of kanopolo wat ik laatst tegenkwam.”

Naast deze ontwikkelingen aan de vraagkant ziet Van der Poel ontwikkelingen aan de aanbodkant: “Ik denk dat klimaatadaptatie nieuwe mogelijkheden gaat bieden voor waterrecreatie. Er komt meer aandacht voor ruimte voor rivieren, het land aanpassen aan extremen in het weer. Dat zal vooral gaan om meer waterberging, om droogteperiodes op te kunnen vangen ofwel om de enorme toestroom van water tijdelijk te kunnen bergen en geleidelijk af te voeren. Dat betekent ruimere rivieren, maar ook meer opvangbekkens of ‘wadi’s’, kortom meer plek voor water in het land. En als er meer water is, kan er meer gewatersport worden. Maar misschien nog wel belangrijker: het water komt dichterbij voor veel mensen. Je ziet dat in nieuwe woonwijken volop ruimte aan het water wordt geboden. Dat is een kans voor waterrecreatie. Het is een vorm van recreëren die past in samenleving die wat meer oog heeft voor rust en duurzaam gebruik van materiaal en de omgeving. Duurzaamheid gaat naar mijn idee van invloed zijn op de aanbodkant. En waterrecreatie kan daar prima in meebewegen, omdat het elementen in zich heeft die daar heel goed bij passen. Denk aan zeilen als een duurzame vorm van transport. Voor de elementen die er minder goed bij passen, zal de tijd moeten leren hoe we daarmee omgaan.”

3) Wat zijn belangrijke ontwikkelingen in jouw vakgebied/werkveld?

“Als het gaat om sport noemde ik al het dominanter worden van het gezondheidsmotief, dat is heel belangrijk,” vervolgt Van der Poel. “Andere dingen die worden genoemd zijn de professionalisering in de sector. Dat heeft ook met elkaar te maken. Mede door de coronacrisis is door veel mensen opgemerkt dat de gezondheid, het weerstandsvermogen, belangrijk is om goed om te kunnen gaan met in dit geval het coronavirus. Daar is een argument voor de overheid om te investeren in sporten en bewegen, vanuit een gezondheidsperspectief of preventief gezondheidsbeleid. De volgende stap is dat we dat goed moeten regelen. Dus een goede accommodatie – de hardware -, maar er is ook steeds meer aandacht voor orgware: een goede begeleiding en het organiseren. Dat betekent investeren in mensen en organisaties om het sporten en bewegen op een goede, veilige manier mogelijk te maken. Het schandaal in de turnwereld laat zien dat veiligheid niet alleen een fysieke component heeft, maar ook een sociale, morele component. Het runnen van verenigingen vergt ook steeds meer van mensen en je wilt dat mensen op een verstandige, pedagogisch verantwoorde manier met kinderen weten om te gaan. Je hebt het dan over de professionalisering van de sector. Dat is een ontwikkeling die deels al plaatsvindt, maar deels is het een oproep: zo moet het verder willen we sport op een verantwoorde manier kunnen aanbieden.”

Digitalisering is een andere belangrijke ontwikkeling die Van der Poel ziet in het sporten en bewegen. Met de moderne media is het veel makkelijker om af te spreken of om iets te organiseren. Dat was iets wat de verenigingen oorspronkelijk deden, die organiseerden die activiteiten. Maar dat kan iedereen nu heel makkelijk zelf en daar heb je eigenlijk geen vereniging meer voor nodig. Dus de georganiseerde sport zit met de vraag: ‘hoe kunnen we dan toch zorgen dat wij aantrekkelijk blijven?’ Ook als het gaat om de competitie zien we digitale alternatieven ontstaan. Kijk naar apps als Strava en Runkeeper, dat is ook een manier om competitie te organiseren. De digitale alternatieven beïnvloeden de manier waarop we aan het sporten zijn en dat roept vragen op over het bestaansrecht van de bestaande organisaties, ofwel een uitdaging om hierin  mee te bewegen en in een digitaal tijdperk relevant te blijven.”

“Een derde ontwikkeling die samenhangt met de digitalisering is vraagsturing.” vervolgt Van der Poel. “Daarbij gaat het erom dat sportorganisaties, als ze nadenken over hun bestaansrecht, er niet aan ontkomen om zich te verdiepen in de vraag wat de sporter nou eigenlijk zoekt of wil. Het is niet meer zo: ik leg een veld aan en bouw een clubhuis en verder gaat het vanzelf goed. Mensen hebben zo hun eigen ideeën tegenwoordig en volop mogelijkheden om hun eigen ding te doen. Als je daar als vereniging of als bond geen rekenschap van geeft, dan loop je kans om jezelf buiten spel te zetten.”

Gevraagd naar zijn mening over de aandacht voor de beweegvriendelijke, publieke ruimte voegt Van der Poel eraan toe: “Dat is inderdaad een belangrijke ontwikkeling, die deels in het verlengde ligt van die informalisering die ik eerder benoemde. Mensen willen actief iets aan hun gezondheid doen, en geven daar op hun eigen manier invulling aan in de openbare ruimte. Dat is een ontwikkeling die al gaande was, maar die in coronatijd heel erg zichtbaar is geworden en in versnelling is geraakt. We hebben daarbij de afgelopen maanden ervaren dat we een recreatiebeleid toch echt wel nodig hebben. We hebben volop gebruik gemaakt van de infrastructuur van fietspaden, parken, vaarroutes en recreatieplassen die sinds de jaren ’60 in het land is gerealiseerd. Dat werd zodanig gebruikt dat er zelfs capaciteitsproblemen zijn ontstaan en er parken moesten worden afgesloten. Je ziet nieuwe vormen ontstaan zoals bij een park aan de Amstel waar nu opeens veel mensen in het water springen. Dat is nooit zo bedacht en dat roep allerlei vragen op zoals: ‘Is dat water daarvoor geschikt, hoe zit het met de waterkwaliteit en vaarverkeer en is dat wel veilig?’ Het gaat  niet alleen om veiligheid, maar ook om de infrastructuur zelf. Die is ooit aangelegd en die vraagt nu om onderhoud en wellicht uitbreiding. Het zou ontzettend goed zijn als er nagedacht werd over ‘hoe houden we wat we hebben, überhaupt in stand?’ Er zit veel ontwikkeling op dit thema van de openbare ruimte. In het werk van het Mulier Instituut is het een groeithema dat je duidelijk terugziet op de website. We verzamelen meer en meer data op dit terrein en doen er steeds meer onderzoek naar. Binnenkort presenteren we een brancherapport ‘Sport en bewegen in de openbare ruimte’, met daarin hoofdstukken over fietsen, wandelen en waterrecreatie.”

“In de dataverzameling komt er meer aandacht voor sport en bewegen in openbare ruimte en de voorzieningen en de organisaties die je daarvoor nodig hebt. Nu hebben we dus ook aandacht voor bijvoorbeeld jachthavens en watersportverenigingen. We krijgen meer en meer aandacht voor routes, zoals vaar-, fiets- of wandelroutes. Die gaan een belangrijke rol spelen in de ambitie om 75% van de bevolking in 2030 actief aan het bewegen te krijgen. De verwachting is dat laagdrempelige activiteiten daarbij belangrijk gaan zijn. En één van de vragen daarbij is: hoe helpt een beweegvriendelijke omgeving daarbij?”

4) De ambities van Waterrecreatie Nederland zijn gebaseerd op de speerpunten ‘Duurzaamheid’, ‘Routenetwerken en voorzieningen’ en ‘Veiligheid’ met als overkoepelend thema ‘Waterbeleving’. Waar zie je raakvlakken/kansen met jouw vakgebied?

“Als het gaat om duurzaamheid doen we beperkt onderzoek, maar monitoren we wel,” vertelt Van der Poel. “In het Nationaal Sportakkoord zit een deelakkoord ‘Duurzame Sport Infrastructuur’. Wij monitoren de uitvoering van dat nationale akkoord. Bij het deelakkoord Duurzame Sport Infrastructuur is heel veel aandacht voor de duurzaamheid van die sportinfrastructuur. En daar zitten thema’s in als energieverbruik en ontwikkeling naar circulariteit en milieuvriendelijk beheer van sportvelden. Wij zijn begonnen om dat te monitoren en dat begint dan eigenlijk met de vraag: ‘hoeveel energie wordt er überhaupt gebruikt in de Nederlandse sportsector?’ Dat is allemaal uitzoekwerk, want dit soort vragen werd tot nu toe nooit gesteld. Het is nu nog ‘kinderschoenenwerk’, maar er worden stappen op gemaakt. Het heeft wel een lange adem nodig; de routekaart duurzaamheid is lange-termijn-werk. We denken dat de routekaart duurzaamheid een blijvend aandachtsgebied is na afloop van het Nationaal Sportakkoord. Het bijzondere hiervan is dat het Rijk, de directie Sport van VWS, voor het eerst aandacht heeft voor de hardware, dus voor accommodaties. Sinds de jaren’ 60 is er nooit meer op rijksniveau aandacht of subsidie geweest voor de hardwarekant van sportvoorzieningen. Met dat deelakkoord Duurzame Sportinfrastructuur is die aandacht er wel gekomen, met name vanuit de duurzaamheidsagenda. Doordat VWS nu dit soort vragen stelt: ‘wat is eigenlijk het energieverbruik van de sportsector en hoe kunnen we dat omlaag brengen?’ is het nodig dat je weet hoeveel en wat voor voorzieningen er zijn, om iets te kunnen zeggen over het terugbrengen van het energieverbruik in de sportsector.”

Dit raakt het speerpunt ‘Routenetwerken en voorzieningen’. Volgens Van der Poel zijn allerlei eigenschappen van die voorzieningen nodig om daar beleid op te kunnen maken. “Dit soort vragen zorgt ervoor dat we een aanzetje hebben tot bovenlokale aandacht voor de hardware.” Van der Poel verwijst hierbij naar het interview dat we eerder dit jaar met Harry Boeschoten van Staatsbosbeheer hielden en waar het gaat over de ‘topografische ziekte’ – de ziekte waardoor beleidsmakers, beheerders, ontwikkelaars vaak niet verder dan hun eigen topografische gebied kijken, terwijl natuur en recreatie juist niets met topografische grenzen te maken hebben. “Ik lees dat als een oproep om weer bovenlokaal, het liefst landelijk, na te denken over de infrastructuur in het land. Voor water geldt dat helemaal: het heeft geen zin om alleen maar op gemeenteniveau over water na te denken. Dat water stroomt, letterlijk, dus je moet naar stroomgebieden kijken. Dan kijk je al heel gauw naar het land en voor bepaalde vraagstukken zelfs West-Europees. Voor recreatie is het denk ik onontkoombaar dat we weer landelijk een visie ontwikkelen voor routestructuren. Wat lokaal kan, kan lokaal, maar we hebben geen behoefte aan routes of paden die ophouden bij de gemeentegrenzen. We moeten echt terug naar een landelijk recreatiebeleid om dit allemaal mogelijk te maken. We zien dat er groei zit in de wens om te bewegen. Dat gaat hoogstwaarschijnlijk plaatsvinden op die routes, dus dan moet je zorgen dat die routes en netwerken er zijn en worden onderhouden. En dat er meer van komen en dat ze verbonden raken. Daar ligt een groot vraagstuk dat opgepakt moet worden. En vanuit het oogpunt van duurzaamheid zou ik zeggen dat het fijner is dat Nederlanders in Nederland op zo’n manier recreëren dan dat ze voor een weekendtrip in het vliegtuig stappen. Dat maakt het misschien wat drukker in het land, maar daar moeten we dan op aanpassen. Als je inzicht hebt in het gebruik van de infrastructuur, kun je de bestaande capaciteit beter gebruiken, bijvoorbeeld door te spreiden in tijd.”

Het onderwerp Veiligheid kwam al even aan bod, maar Van der Poel vult aan: “De Nationale Raad Zwemveiligheid heeft al een aantal jaren een programma gericht op het vergroten van de zwemveiligheid. Daar doen we ondersteunend onderzoek voor en we monitoren de ontwikkelingen op dit gebied. Zoals het bezit van zwemdiploma’s, wat doen gemeenten aan zwemonderwijs en hoeveel scholen bieden nog schoolzwemmen aan. Daarbij hebben we een aantal onderzoeken gedaan naar de veiligheid bij open-water-zwemmen en verdrinkingen. Er blijken meerdere registraties van verdrinkingen te zijn en die registraties zijn de bron om onderzoek te doen naar de oorzaken. Vragen als ‘wat zijn de omstandigheden waarin mensen verdrinken en welke factoren spelen daarbij een rol?’ staan daarbij centraal.”

5) Welke kansen moeten er naar jouw idee als eerste worden opgepakt en met wie/welke partijen moet daarvoor worden samengewerkt?

Bij de eerdere vragen is er veel genoemd, maar Van der Poel benadrukt nog eens: “Het meebewegen op wat er gebeurt op het gebied van klimaatadaptatie en duurzaamheid, dat biedt echt kansen voor de watersportsector. Dat biedt kansen als je vroegtijdig aan tafel zit en meespreekt over de planologische ontwikkelingen in de waterinfrastructuur. Ten tweede is gezondheid een kans, waarbij duurzaamheid misschien wel verbindend kan zijn. Als sector kun je sporten als zeilen, suppen of roeien promoten als een duurzame vorm van recreatie. Je kunt gezond bezig zijn op een milieuvriendelijke manier en ondertussen een heel leuke tijd hebben. Dat lijkt me echt een kans en ik denk zeker dat de jongere generaties wel te porren zijn voor actieve vormen van watersport en dat het water zo gezien wordt als een aantrekkelijke omgeving. Waar ook de jeugd prima uit de voeten kan, op een manier die past bij deze tijd.”

Gerelateerde interviews:

Vorig artikel
Volgend artikel